Inclusie en vrijheid

Inclusie en vrijheid zijn net als liefde en geluk moeilijk definieerbaar. Wanneer is er inclusie of vrijheid? Veel hangt af van hoe iemand dat zelf ervaart, zie Inclusiemodel. Zo staat in het essay ‘Leven in niet vanzelfsprekende vrijheid’: “Wie onvrijheid voelt weet wat vrijheid is, of hoe het zou moeten zijn.” Zo ook met inclusie.

In het kader van Bevrijdingsdag heb ik hieronder stukken geplaatst uit dit essay van Liesbeth Noordegraaf-Eelens, Martijn van der Steen en Paul Frissen. Vervang het woord vrijheid dat gebruikt wordt eens door het woord inclusie…

(Een aantal gebruikte zinnen of woorden heb ik gelinkt aan een ander artikel of pagina op mijn site. Deze zijn vet gedrukt in de tekst en openen in een nieuw venster.)

Leven in niet vanzelfsprekende vrijheid

Liesbeth Noordegraaf-Eelens Martijn van der Steen Paul Frissen 

 

Blz 9

Wie onvrijheid voelt weet wat vrijheid is, of hoe het zou moeten zijn. Het is te vergelijken met mensen die ziek zijn en waarvoor de betekenis van gezondheid onomstreden is. Maar als we gezond zijn, is het zaak hoe ervoor te zorgen dat we het ook blijven. Dat geldt des te meer voor mensen die nooit echt ziek zijn geweest. Zij hebben niet eens de herinnering aan de beroerde ervaring van bedlegerigheid, slapte, pijn en de onzekerheid over of het ooit weer goed komt. Er is geen directe empirische evidentie over bekend, maar het is aannemelijk dat mensen die ziek zijn geweest meer aandacht hebben voor preventie, teneinde langer gezond te blijven en het moment van volgende ziekte zo lang mogelijk uit te stellen.

Net zoals het goed mogelijk is dat mensen na een ziekte gezondheid anders beleven en bewust genieten van, in de ogen van anderen, willekeurige momenten in het leven. Of bijvoorbeeld meer aan goede doelen gaan geven die onderzoek doen naar ‘hun’ ziekte, of deze zelf oprichten en hun leven er aan wijden. Gerelateerd aan vrijheid betekent dit dat het van belang is om mensen bewust te maken van de betekenis van onvrijheid. Voor sommige mensen zal dit bewustzijn gebaseerd zijn op eigen ervaringen. Maar er zijn veel mensen die geen oorlog hebben meegemaakt en die dus voor het bewustzijn van onvrijheid afhankelijk zijn van verhalen van anderen. Een bewustzijn van onvrijheid zorgt er voor dat vrijheid niet als vanzelfsprekend wordt gezien.

 

Blz 10

Net als gezondheid is vrijheid om van te genieten, maar het is geen ‘free lunch’. Vrijheid vereist voor continuering op langere (of korte) termijn dus én een bewustzijn van onvrijheid én een aantal gedragsconsequenties. Het dilemma dat hiermee samenhangt, luidt als volgt:

Vanzelfsprekende vrijheid is verraderlijk.
Vrijheid spreekt nooit voor zich, maar vereist continue borging.

De vergelijking met het ziek zijn laat echter ook de keerzijde(n) van de actieve beleving van de vrijheid zien. Het tegenovergestelde van de vanzelf- sprekende vrijheid – de continu besproken en geëxpliciteerde vrijheid – is eveneens niet zaligmakend. Zoals ook de ervaring van het ziek zijn niet zaligmakend is voor de beleving van gezondheid. Mensen kunnen bijvoorbeeld in het ziektebeeld blijven hangen. Als ze zich op die manier volledig gaan gedragen naar het ziek zijn – ook als de fysieke verschijnselen min of meer verdwenen zijn – dan werkt dat verlammend. Mensen zijn dan niet meer ziek, maar hebben de ziekte vereenzelvigd. De ziekte is hun identiteit geworden. En dan zijn er ook de hypochonders of simulanten, die zich om allerlei redenen zieker voordoen dan ze zijn. Omdat ze werkelijk en oprecht bang zijn iets te mankeren, of vanwege strategische motieven.
De analogie met vrijheid is dat als we vrezen dat onze vrijheid op het spel staat, dat het dan deze vrees kan zijn die de vrijheid echt in gevaar brengt.

 

Blz 11/12

Kwestie 1: (on)vrijheid in de toekomst

Bij de ervaring en borging van de vrijheid gaat het om het heden, maar vooral ook om de toekomst. Niemand zal serieus betogen dat de vrijheid in Nederland hier en nu in acuut gevaar is. Maar voor de toekomst weet niemand het zo zeker.

Bij de ervaring en borging van de vrijheid gaat het om het heden, maar vooral ook om de toekomst. Niemand zal serieus betogen dat de vrijheid in Nederland hier en nu in acuut gevaar is. Maar voor de toekomst weet niemand het zo zeker. De duurzaamheid van de vrijheid heeft zorg en aandacht nodig. Het is geboden waakzaam te zijn voor overmoed en lichtzinnigheid, omdat achterstallig onderhoud of regelrechte beschadiging van vrijheid daarvan het gevolg kunnen zijn. Maar ook moeten we beducht zijn voor overbezorgdheid en opdringend activisme die alle mogelijke bronnen van toekomstige onvrijheid in een vroeg stadium in de kiem willen smoren. Anders geformuleerd gaat het dan om de vraag hoe vrijheid beleefd en geborgd blijft in een omgeving waarin deze eerder met groot succes ‘geïnstalleerd’ is.

Kwestie 2: (on)vrijheid elders

Een tweede probleem dat zich voordoet met de grote mate van vrijheid die wij hier en nu beleven is de omgang met onvrijheid elders. Het gaat dan om hoe we vanuit de eigen vrijheid ons verhouden tot onvrijheid en oorlog die elders de orde van de dag bepalen. Hoe verhoudt onze vanzelfsprekende vrijheid zich tot de onvrijheid van anderen? Daarmee wordt niet direct onze eigen vrijheid bedreigd – veel onvrijheid en oorlog bevindt zich op relatief ‘veilige afstand’ van onze eigen habitus – maar worden we wel aangesproken op gevoelens van rechtvaardigheid? Moet vanuit eigen vrijheid activisme voor de vrijheid van anderen ontstaan? En zo ja, hoe actief en direct moet dat zijn? Indirect, via internationale instituties die, als hun gezag wordt aanvaard, kunnen bijdragen aan vrede en vrijheid in nu onvrije oorlogsgebieden? Of met directe interventies, zoals we de afgelopen jaren in Libië, Irak en Afghanistan hebben gezien? En daartussen bevindt zich een groot grijs gebied met steeds hetzelfde fenomeen: de aanblik van onvrijheid vanuit een vrije omgeving en de vraag naar handelingsconsequenties van die waarneming voor de waarnemer.

Vrijheid als relationeel begrip

Deze kwesties laten zien dat het nadenken over vrijheid altijd relationeel is. Het gaat telkens om de wijze waarop onze vrijheid zich tot andere vrijheid dan wel onvrijheid verhoudt. Dit relationele is niet alleen van toepassing op het denken over vrijheid, het is ook cruciaal in het realiseren van vrijheid. Realiseren niet in termen van het bewust zijn van vrijheid, maar als het produceren van vrijheid. Zonder anderen betekent vrijheid niets. Leven in vrijheid gebeurt niet in het luchtledige, maar veronderstelt altijd anderen. Het gaat om de verhoudingen tussen individu en gemeenschap, tussen individuen en tussen gemeenschappen. Pas als er anderen zijn doet vrijheid er toe. Het is net als met geluid: wat is het geluid van een vallende boom op een onbewoond eiland? De trilling die de boom veroorzaakt is pas geluid als iemand deze hoort. Zo is het ook met vrijheid. De eenling op een ‘onbewoond’ eiland is zo vrij, dat het geen vrijheid genoemd mag worden. Vrijheid heeft dan geen betekenis. Vrijheid doet zich gelden in relatie tot anderen. Het is in deze relatie dat mogelijkheden en beperkingen ontstaan.

 

Blz 13/14

De borging en/of het realiseren van vrijheid nu en in de toekomst vereisen dat vrijheid bespreekbaar is en dat er een niveau van bewustzijn is. Maar als het bewustzijn en het daaruit voortvloeiende activisme te groot wordt, als de vrijheid te actief en dwingend wordt nagestreefd, dan ligt juist onvrijheid op de loer.

Het vereist steeds een balanceren in dilemma’s: voorbij de vanzelfsprekendheid, maar weg blijvend van het verbale geweld pro vrijheid. Anders wordt het activisme voor de vrijheid tragisch, ondanks de goede bedoelingen.

 

Blz 15

Spreken over vrijheid

Een eerste manier om inzicht te verwerven in het borgen van vrijheid is een beschouwing van de 5 mei-lezingen. Jaarlijks wordt de lezing gehouden door een gezaghebbend (inter)nationaal persoon. In deze lezingen wordt de relationaliteit van vrijheid impliciet of expliciet benoemd. Voorbeelden van het laatste zijn de lezingen van Wim van de Donk en Frans Timmermans. Van de Donk (2008, p. 9) zegt over vrijheid het volgende:

Mensen zijn bedoeld als relationele wezens. Vrijheid wordt beleefd in verbondenheid met anderen en veronderstelt dus ook verantwoorde- lijkheid, al is het alleen maar omdat de vrijheid van de een ten koste kan gaan van die van een ander.

Een treffend citaat van Timmermans (2009, p.9) luidt als volgt.

Als ‘wij’ ontbreekt voelen we ons nutteloos als soldaten zonder een regiment, als het ‘ik’ ontbreekt, komen we al gauw terecht in de raderen van een totalitair regime

Veel lezingen besteden expliciet en impliciet aandacht aan wijzen waarop vrijheid in de samenleving vorm kan krijgen en stellen daarmee de vanzelfsprekendheid van vrijheid ter discussie. Er worden toonaangevende voorbeelden genoemd van wijzen waarop mensen zich in vrijheid ten opzichte van elkaar kunnen en zouden moeten verhouden. Het is vaak een impliciete of expliciete waarschuwing tegen het ‘als vanzelfsprekend’ zien van de vrijheid.

 

Blz 16

Cynthia Schneider (2000) benadrukt onder andere het verschil tussen moraal en gedrag. Het zijn allebei manieren om vorm te geven aan de relatie tussen ‘ik’ en ‘ander’, ze kunnen samenvallen, maar verschillen ook fundamenteel van elkaar. Moraal kan niet afgedwongen worden door de wet, gedrag wel. Als de moraal niet als ankerpunt fungeert om de relatie tot de ander vorm te geven, dan is het aan de wet om dat te doen en zo de vrijheid te borgen.

 

Blz 17

Frans Timmermans benadrukt in zijn eerder aangehaalde lezing dat vrijheid vraagt om nieuwsgierigheid, om interesse in hoe een ander denkt en doet. Zijn generatie werd ‘geplaagd’ door een in vooroordelen verankerd beeld van de Duitser. Bij de generatie van zijn kinderen heeft de Duitser plaatsgemaakt voor een Duitser en vooroordelen veranderd in interesse.

De bovenstaande beschouwingen leggen het accent op het leven in vrijheid zonder oorlog. Zij benadrukken dat vrijheid geen vanzelfsprekendheid is en dat het borgen van vrijheid vraagt om inspanningen. Daarnaast is er ook een aantal lezingen dat de nadruk legt op een bewustzijn van onvrijheid: zowel in Nederland als elders. Pas als we weten wat onvrijheid is kunnen we met elkaar in vrijheid leven is een boodschap die aan bod komt in de lezingen van Alexander Rinnooy Kan (2003) en Carl Niehuis (1998). Een bewustzijn van onvrijheid kan bijdragen aan het anders inrichten van relaties teneinde vrijheid te bevorderen. [..] Volgens Niehuis is het van belang het verleden en de daarbij behorende onvrijheden als referentiepunt te gebruiken omdat vrijheid zelf niet disciplineert. Dat gebeurt pas als vrijheid gerelateerd wordt aan onvrijheid.

 

Blz 18

Positieve en negatieve vrijheid

Als we de omgangsvormen die in deze lezingen worden aangedragen op een meer abstract niveau categoriseren, dan zien we dat er een aantal omgangsvormen is dat vooral inzet op het borgen van de vrijheid en een aantal vormen dat zich richt op het voorkomen van onvrijheid. We kunnen de lezingen relateren aan het verschil dat door Isaiah Berlin wordt gemaakt tussen positieve en negatieve vrijheid. Positieve vrijheid is dan meer gerelateerd aan het borgen van vrijheid, negatieve vrijheid aan het beperken van onvrijheid.

Bij negatieve vrijheid – vrijheid van – is sprake van vrijheid van interventies in het handelen. Tot op zekere hoogte geldt: hoe minder interventies, hoe meer vrijheid. Bij interventies kan gedacht worden aan militaire interventies, in tijden van oorlog, maar ook in vredestijd kan sprake zijn van interventies. De sprekers die op 5 mei vooral inzetten op onvrijheid, zijn de sprekers die de negatieve vrijheid in de aandacht plaatsen. In een groot aantal gevallen is de interventie – beperking van de negatieve vrijheid – overigens nodig om vrede en vrijheid te garanderen. Ook in een vrij land zal er dus nooit sprake zijn van volledige negatieve vrijheid.

Positieve vrijheid is niet de vrijheid van, maar de vrijheid tot. Het gaat dan niet om de afwezigheid van interventies maar om de aanwezigheid van handelingsperspectieven, om vrijheid als mogelijkheid. Dat bij positieve vrijheid sprake is van de aanwezigheid van mogelijkheden die handelingsperspectieven schetsen en niet van interventies die beperken betekent niet dat zonder meer alles gedaan kan worden. Ook positieve vrijheid kan vragen om beperkingen, bijvoorbeeld om disciplinering. Positieve en negatieve vrijheid kunnen gelden op verschillende niveaus. Het kan gaan over vrijheden tussen individuen, tussen individu en gemeenschap, tussen individu en overheid, tussen overheden, tussen idealen.

Blz 19

Achter elke omgangsvorm lijken veronderstellingen schuil te gaan over hoe de wereld werkt of hoort te werken, over wat voor mensen wij zijn en hoe wij ons tot elkaar horen te verhouden, en over de betekenis van vrijheid. Het in kaart brengen van deze waardeoriëntaties en wereld- en mensbeelden vertelt iets over ‘wat vrijheid is’ en schetst de daaruit voortvloeiende handelingspatronen.

Blz 22

Mens: individueel en meervoudig

Voor een vrijheidsbegrip dat én gebaseerd is op het individu én op meervoudigheid kan het werk van Hannah Arendt als inspiratiebron fungeren. Volgens Arendt zijn alle individuen gelijk in hun verschil. In haar werk staan twee begrippen centraal: het ‘begin’ dat staat voor het nieuwe en het ‘verschil’. Voor Arendt is elk leven een nieuw leven omdat het verschilt van andere levens. Deze uniciteit maakt alle mensen uniek en daarin zit de gelijkheid tussen mensen. Het is deze uniekheid waarin de vrijheid zit, mensen zijn niet te reduceren tot elkaar. Hoe het leven zal lopen is niet voorspelbaar en in deze onvoorspelbaarheid zit de vrijheid. Mensen leiden geen leven van anderen, maar leiden een eigen leven. Arendt is kritisch ten opzichte van menselijk handelen dat deze onvoorspelbaarheid teniet probeert te doen en zodoende het verschil en daarmee de vrijheid beperkt. Ze refereert in dat verband aan statistische voorspellingen die in hun voorspelling normatief zijn. In de verkondiging hoe de gemiddelde Nederlander zich zal gedragen, zit direct een oordeel over wie dan van dit gemiddelde afwijkt. Het vellen van dit oordeel wijkt af van de vrijheid.

Arendt refereert met haar denken aan het leven in de Griekse polis en het daar gevoerde publiek-politieke debat. Dat is voor haar de ruimte waar vrijheid zich kan manifesteren. Dat komt omdat in dat debat iedere (beargumenteerde) overtuiging een eigen plaats heeft, en omdat de uitkomst van het debat niet vast ligt. Waar het om gaat is dat het debat telkens weer iets nieuws op kan leveren. Het is deze mogelijkheid van meervoudigheid die de vrijheid karakteriseert. Iedereen neemt in dit debat een eigen positie in, en het is dit verschil dat de mensen gelijk maakt. Bovendien kan elke uitkomst van het debat en daarmee de positie die in het debat wordt ingenomen weer ter discussie worden gesteld. Leven in vrijheid betekent dat we telkens weer zoeken naar manieren om onze huidige positie ter discussie te stellen, en daar hoort bij dat we ons ook steeds kwetsbaar opstellen voor kritiek van anderen. Wat de uitkomst zal zijn van het debat is niet vooraf duidelijk en doet er ook niet toe. Leven in vrijheid betekent juist dat de uitkomst van het debat niet vooraf vastgelegd kan worden.

 

Blz 23/24

Markt: institutioneel en eenduidig

Het markt- mechanisme is het mechanisme dat volgens neo-liberalen hoort bij een vrije samenleving. De bijbehorende universele pretenties zijn dat de invisible hand en later het marktmechanisme zorgen voor een optimale afstemming van individuele belangen en verlangens.

De principes die aan deze vrijheidsopvatting ten grondslag liggen zijn nog steeds van kracht. Dat komt omdat voor velen een vanzelfsprekende link tussen vrijheid en verlangen bestaat. Vrijheid is datgene doen wat je wilt, en je hebt vrijheid als je dat ook kunt doen. Het ‘enige’ wat van mensen verlangd wordt is dat zij hun eigen verlangens en belangen nastreven. Leven in vrijheid zou in dit geval betekenen dat belemmeringen om verlangens na te streven zoveel mogelijk beperkt moeten worden, de confrontatie met de ander wordt geminimaliseerd ten einde een optimaal resultaat te krijgen. Als deze confrontatie al plaats vindt dan is dat door concurrentie die er ook voor zal zorgen dat de zwakkere partij het loodje legt. In de concurrentie zien we overigens een van de ‘gewelddadige’ eigenschappen van deze ideologie die over het algemeen als de ideologie van een vrije samenleving wordt gezien.

 

Blz 25/26

Moraal: individu en eenduidig

Een volgende variant van vrijheid is geworteld in de moraal en heeft als inspiratiebron het werk van de 18de eeuwse filosoof Immanuel Kant. Vrijheid is hier gebaseerd op een handelingsprincipe: de categorische imperatief. Dat is een richtlijn (imperatief) die altijd (categorisch) doorslaggevend zou moeten zijn bij het handelen en die geformuleerd kan worden als: ‘doe dat een ander niet wat gij niet wilt dat u geschiedt’. Het handelingsperspectief dat hieruit voortvloeit, is eenduidig omdat het altijd en overal geldt. Anders gezegd: behandel een ander alleen zoals je zelf behandeld zou willen worden. Daar wordt nog aan toegevoegd dat een ander nooit alleen als middel behandeld mag worden, maar ook altijd als doel op zich. Deze richtlijn die iedereen waarschijnlijk op een bepaalde manier zal herkennen en die velen mogelijk gebruiken, wordt door Kant radicaal doordacht. Het gaat Kant namelijk niet alleen om het vellen van een oordeel over de specifieke situatie, maar om het vellen van een universeel oordeel. Dat betekent dat bijvoorbeeld een leugentje om bestwil niet tot de mogelijkheden behoort. De consequentie van een leugentje om bestwil zou zijn dat iedereen mag liegen en dan is het niet langer mogelijk om een onderscheid te maken tussen wat waar is en wat niet waar is. Door op deze manier oordelen te doordenken komt de categorische imperatief uiteindelijk terecht bij de moraal, bij een ultiem en universeel oordeel over en onderscheid tussen ‘goed’ en ‘kwaad’. Het goede is dat wat in alle situaties is toegestaan, het slechte is dat wat in geen enkele situatie kan. Leven in vrijheid zou dan een leven zijn conform het goede, mensen kunnen er dan zeker van zijn dat hun manier van leven overal en altijd van toepassing is. Het ‘goede’ en het ‘kwade’ kunnen gezien worden als individu overstijgend omdat zij altijd gelden. Dat geldt zelfs in extreme gevallen.

Als we de vanzelfsprekendheid van vrijheid vanuit dit perspectief ter discussie stellen dan betekent het dat we aan al onze handelingen de eis van universaliteit en eenduidigheid opleggen. Dat betekent dat we ons het volgende moeten afvragen. Handel ik nu zoals ik in elke situatie zou kunnen handelen? Handel ik nu zoals ik ook in de toekomst zou kunnen handelen? Handelt men elders zoals men ook hier zou kunnen handelen?

 

Macht: institutioneel en meervoudig

Een vierde manier om verhoudingen op een vreedzame manier in vrijheid te organiseren is die van de democratische rechtsstaat. In dit geval is sprake van een meervoudig vormgeven van de vrijheid op een institutioneel niveau. Hoe de omgangsvormen eruit zullen zien is niet duidelijk. Het is wel duidelijk op wat voor wijze deze omgangsvormen tot stand komen. Vrijheid wordt gevormd door ‘instituties’ en kan telkens weer anders worden ingevuld. In een democratie worden de verschillende stemmen op elkaar afgestemd. Het is de democratische rechtsstaat die bemiddelt tussen de individuen.

 

Blz 27

De democratische rechtsstaat is doordrenkt van de gedachte dat de staat nooit mag worden geregeerd vanuit één opvatting van het goede leven, in de democratische rechtsstaat is altijd plaats voor meervoudigheid. Al het andere, ook als het om een minderheid gaat, verdient een plek binnen de open samenleving en uiteindelijk, via verkiezingen, binnen de staat. Zelfs wanneer de vrijheidsopvatting van bepaalde minderheden door anderen als beperkend of bedreigend wordt ervaren.

Zodra politici zijn verkozen tot bestuurder, de machtsstrijd ‘gewonnen hebben’, mogen deze bestuurders niet alles doen wat naar hun inzicht belangrijk is. Juist omdat de staat de mogelijkheid heeft de vrijheid te beperken, hij bezit immers het geweldsmonopolie, is het vanuit de naam van de vrijheid logisch (en noodzakelijk) dat de burger tegen de staat wordt beschermd. De verschillende rollen van de overheid zijn vervat en in verhouding gebracht in de grondwet, die benoemt wat de staat is, mág doen en wat de staat moet beschermen. De grondwet benoemt zowel de inrichting van de staat als de individuele (grond-)rechten van burgers. Deze grondrechten dient de overheid te beschermen. Mocht de overheid grondrechten schenden, dan kan de burger de overheid via de rechter – in beperkte mate – tot de orde roepen. Op deze manier krijgt in ieder geval de wederkerigheid in machtsverhouding enigszins vorm.
Vrijheid en democratische rechtsstaat betekenen zodoende dat de staat alle verschillende vrijheidsopvattingen toestaat en zelfs incorporeert in de vertegenwoordigende organen, mits het bestaan van deze verschillende opvattingen niet leidt tot schending van vrijheden. Vrijheid betekent ook dat alle in een samenleving bestaande vrijheidsopvattingen in gelijke mate aanspraak mogen maken op de (uitvoerende en wetgevende) macht. Vrijheid betekent tot slot dat, zodra een of meer partijen de uitvoerende macht bezetten, deze partijen nooit de individuele rechten van de burgers kunnen schenden.

Er is weliswaar een ondergrens: de grondwet. Maar parlement en bestuur mogen ook deze grondwet ter discussie stellen.

 

Blz 28

De verschillende vragen die de vanzelfsprekendheid van de vrijheid ‘hier’ en ‘nu’ ter discussie stellen zijn gericht op het borgen van de vrijheid. Zij geven een overzicht van de vrijheden die al dan niet op het spel staan: hier en nu, maar ook elders en in de toekomst. Het zijn vragen die ons kunnen helpen bij een analyse van de ‘staat van de vrijheid’ en de duurzaamheid daarvan. De vragen geven richting aan het ingrijpen op individueel en institutioneel niveau in het geval een van de vrijheden niet of onvoldoende gerealiseerd is. Is de plek van de macht leeg en is deze voldoende geborgd? Werkt het marktmechanisme goed en wordt het (niet) verstoord? Valt te verwachten dat deze elementen ook op langere termijn behouden blijven, of liggen daar zorgen? Is er sprake van balans tussen hier en elders, en wat zijn de mogelijkheden om elders te interveniëren?

Welke legitimiteit bestaat daarvoor? Welke beperkingen zijn er? De argumentaties die we in de wetenschappelijke en filosofische literatuur vinden benutten we dan niet om ‘uit te leggen’ welk vrijheidsconcept aan de orde is en wat van daaruit voorgeschreven acties zijn, maar om de stand van zaken met de vrijheid (hier, nu, elders en in de toekomst) kritisch te bevragen. Het zijn vragen waarmee we het kritische gesprek over de vrijheid kunnen voeren. Om daarmee de vanzelfsprekendheid voorbij te gaan, zonder in overgevoeligheid of voor de vrijheid destructief activisme te vervallen.

 

Blz 31

Vanzelfsprekend maar niet vanzelf: het borgen van vrijheid 

[..] terugblikken op de betekenis van 5 mei voor de vrijheid. Het is het ultieme markeringspunt van de vrijheid: het fysieke en temporele moment waarop de vrijheid niet vanzelfsprekend is, maar juist besproken, gevierd en door sommigen zelfs bejubeld wordt. 5 mei is in die zin een ‘gemakkelijke’ dag, hoewel er uiteraard grote vragen zijn over de wijze waarop de dag zodanig invulling kan krijgen dat er gedurende het jaar dat er op volgt de vrijheid een impuls krijgt en onder de aandacht blijft.

De dagen die volgen op 5 mei zijn in die zin veel lastiger als het gaat om het borgen van de vrijheid. Of 21 maart. Of 18 juni. Vrijheid is een dagelijks proces, dat door het jaar heen op allerlei momenten invulling moet krijgen. Het gaat niet (alleen) om omgangsvormen van de vrijheid, noch uitsluitend om het definiëren van wat de vrijheid dan is. In dit laatste deel van het essay gaan we daarom in op twee thema’s die de kracht van 5 mei als impuls voor een actieve vrijheidsbeleving gedurende het jaar kunnen vergroten.

 

Blz 32

Wederkerigheid

De vier varianten van vrijheid die zijn besproken verschillen onderling sterk van elkaar. Ze hebben echter ook een belangrijke overeenkomst, namelijk dat in alle vier de varianten vrijheid wordt gezien als het op een productieve wijze vormgeven van de relatie met anderen: waarin de vrijheid van de één niet meer dan nodig de vrijheid van de ander begrenst of ‘consumeert’, én waarbij die vrijheid een zekere duurzaamheid heeft. Wat de ruimte voor de ander is, is afhankelijk van de vrijheidsopvatting die gehanteerd wordt. Volgens sommigen is de verhouding tot het individu of tot de gemeenschap er één van het creëren van betrokkenheid: van en.

Van en het individu, en de gemeenschap. Mijn vrijheid dient in de ruimte (en tijd) samen te gaan met de vrijheidsopvattingen van anderen. De vrijheid van de één mag niet ten koste gaan van de ander, of er moet een zekere afstemming en wederzijdse instemming zijn over beperkingen. Bijvoorbeeld dat er nu sprake is van enige inbreuk, die door de onderliggende partij wordt geaccepteerd, maar dat er later andersom iets vergelijkbaars kan gebeuren. Als de buren het vooraf melden zijn veel mensen bereid om herrie door een eenmalig feestje te accepteren. Ze bellen niet de politie – hoewel ze daartoe het volle recht hebben – maar vertrouwen in de wederkerigheid van hun terughoudendheid. Dit in tegenstelling tot de onvrijheid waarin de andere partij niet of nauwelijks ruimte krijgt. In dit geval is er sprake van een of-relatie. Het gaat dan om de vrijheid van of de een, of de ander. De vrijheid van de één gaat ten koste van de ander en is daaraan ook bovengeschikt. Vrijheidsbegrippen sluiten elkaar dan uit. De vrijheid van meningsuiting van de één gaat in dat geval boven de vrijheid van godsdienst van de ander. Of, dichter bij huis, als het genot van harde muziek van de één boven de waardering van nachtrust van de ander wordt geplaatst. Een andere variant is die van de geconditioneerde vrijheid, van mits/tenzij. De vrijheid van de een kan dan samengaan met die van de ander mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoet, of, vrijheden kunnen niet samengaan tenzij zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Minder exclusief dan ‘of’, maar niet zo vrij als in het ‘en’. Mensen gedragen zich omdat het moet, niet vanuit kennis en waardering voor de ander. Als er geen toezicht is kan de norm snel vervallen, waar deze op basis van ‘en’ waarschijnlijk dieper gedragen zal zijn en daarmee meer robuust is.

 

Blz 33

De cruciale conditie om in elk van de drie varianten van vrijheid te spreken is dat er sprake is van wederkerigheid. Van vrijheid is pas echt sprake als het ruimte geven aan de ander beantwoord wordt met het ruimte krijgen van de ander. Dat hoeft niet direct en strak afgemeten te zijn, maar het moet naar de smaak van betrokkenen over langere termijn wel in balans zijn. Deze wederkerigheid lijkt in elk van de vier besproken inhoudelijke opvattingen van vrijheid (macht, mens, moraal, markt) als vanzelfsprekend aanwezig. Daarin schuilt de kwetsbaarheid en ook de beperkte praktische toepasbaarheid van de vier opvattingen. Ze werken slechts dan als de daaraan ten grondslag liggende veronderstellingen ook geaccepteerd worden en als iedereen zich conform deze veronderstellingen tot elkaar verhoudt. Als persoon A persoon B ruimte geeft, maar persoon B geeft A helemaal geen ruimte, dan kan A wel handelen conform vrijheidsprincipes, maar dan leeft hij nog niet in vrijheid.

Ter illustratie kunnen we bijvoorbeeld de moraal nemen. Leven conform een universele moraal brengt alleen dan vrijheid als iedereen volgens deze maatstaf leeft. Liegen tegen de Nazi-officier over onderduikers is als ieder- een zich aan de Kantiaanse moraal houdt een onmogelijke situatie. Want net als liegen is moorden uitgesloten als geredeneerd wordt volgens universele principes. We zien dat de kwetsbaarheid van de vier varianten in de afwezigheid van de wederkerigheid ligt.

 

Blz 35/36

Variëteit

Het ter discussie stellen van de vanzelfsprekendheid van vrijheid mag dan wenselijk zijn om de vrijheid te borgen, het is allerminst vrijblijvend. In het gesprek zal onvermijdelijk ook de eigen vrijheidsopvatting ter discussie komen te staan. Het is in die zin per definitie een confronterend en daarmee ook ongemakkelijk gesprek. Dat is een paradoxaal element in onze redenering. We stellen dat zwijgzaamheid over vrijheid een gevaar is, omdat het kan leiden tot veronachtzaming van de basis ervan. Maar andersom geldt ook dat overmatige aandacht voor vrijheid een gevaar draagt. Spreken over vrijheid en onvrijheid krijgt al snel het karakter van het markeren van de eigen grenzen, het definiëren van de eigen identiteit en de (vaak vele) ‘breekpunten’ in de relatie. Dat geeft weliswaar helderheid over de uitgangspunten van de ander, maar grensverzwaring en de accentuering van het ‘eigen’ en de breekpunten zorgen er bijna vanzelfsprekend voor dat er botsing optreedt. In het gesprek over het concept vrijheid raakt de praktijk ervan dan steeds meer verloren. De debatten over vrijheid hebben dat in praktijk getoond: nooit werd er zo veel, vaak en luidruchtig over vrijheid gesproken. Net zoals oproepen tot ‘respect’ vaak een gebrek daaraan accentueert leidt het bij herhaling bediscussiëren van de vrijheid tot een per saldo ‘netto’ verlies daarvan.

De basis van dit ongemak is de ongelijksoortigheid van vrijheidsopvattingen. Met het debat zelf is niet veel mis, het ‘probleem’ ligt veeleer in de aard van het concept van vrijheid dat in de debatten centraal staat. Vrijheid is geen eenduidig object, waarvan de status en eigenschappen in een debat uitgediscussieerd kunnen worden. Vrijheid is ambigu, veelvormig en object van verschillende interpretaties. De tegenstellingen verdwijnen niet in het gesprek, maar worden daarin juist meer zichtbaar, scherper en meer expliciet. De boven besproken vrijheden van mens, macht, moraal en markt – die als clusters van verschillende vrijheidsbegrippen kunnen worden gezien – verhouden zich op een ambigue wijze tot elkaar. Aan de ene kant zijn zij complementair, ze vullen elkaar op elementen aan. Door vanuit deze verschillende waardegeladen referentiekaders vragen te stellen over de vrijheid, laat de vrijheid zich vanuit meerdere perspectieven zien. Dat klinkt aangenaam: ‘vanuit meer kanten kijken, om een rijker beeld van vrijheid te construeren’. Maar dat beeld blijkt vervolgens niet zonder praktische gevolgen. Het stellen van deze vragen maakt duidelijk dat vrijheid een gevarieerd begrip is. Dat is een bron van conflict tussen vrijheden. Een vrijheid die uitgaat van het verschil kan en zal leiden tot andere ver- houdingen tussen individu en gemeenschap dan een vrijheid die uitgaat van de moraal. De moraal rekent met en op een uiteindelijk universele standaard van wat ‘goed’ is, terwijl het verschil als uitgangspunt ‘het goede’ lokaal, tijdelijk en veranderlijk veronderstelt. Vrijheden kunnen en zullen dus botsen.

Daarmee is niet gezegd dat gesprekken over vrijheid niet meer mogelijk moeten zijn, of dat de discussies over verschillende vrijheden moeten worden gemeden. De conclusie moet eerder zijn dat het nodig is om aan de discussie eisen te stellen. Er moet ruimte zijn voor onbegrip en kwetsbaarheid. Dat is nodig omdat de verschillende vrijheidsbegrippen uiteindelijk niet tot elkaar te reduceren zijn en omdat vrijheid uiteindelijk broos en vergankelijk is. Het kan kapot, ook zonder buitenlandse interventie en ook vanuit op zichzelf goede en oprechte bedoelingen. Het gesprek over vrijheid kan vanwege de variëteit van het vrijheidsbegrip nooit het karakter hebben van een gesprek om ‘er uit’ te komen. Het maximaal haalbare is het verkennen en met elkaar in balans brengen van de verschillen. Leven met vrijheden gaat om het ruimte maken voor vrijheden die onbegrepen zijn en onbegrepen blijven. In het maken van deze ruimte zit altijd een offer. Mensen schorten hun ‘eigen’ identiteit – hun eigen vrijheid – op, in plaats van deze identiteit op te leggen, zoals bij onvrijheid gebeurt.

 

Blz 37

Vrijheid is geen zwakke en bedreigde diersoort, die als in een reservaat beschermd moet worden tegen allerlei invloeden van buitenaf. Vrijheid ontleent juist kracht aan een zekere doorleving en intensiteit van de beleving. Het punt daarbij is wel dat de beleving, bijvoorbeeld in het gesprek, niet het karakter heeft van het zoeken naar de allesomvattende oplossing, maar juist gericht is op het leren kennen van de verschillen, tegenstellingen en de onbegrepen overtuigingen van de ander. Niet om van daaruit overtuigd te raken, of anderen te overtuigen, maar om te begrijpen wat de ander drijft. Zodat robuuste balans gevonden kan worden, die – zo leert de theorie van veerkrachtige organisaties en netwerken – buitengewoon sterk en schokbestendig kan zijn.

Conclusie

Blz 40

Wat moet worden gevierd op 5 mei is de bevrijding van de onvrijheid in het scherpe bewustzijn dat deze steeds kan terugkeren en elders nog bestaat. Daaruit volgt een belangrijke les: vrijheid is nooit vanzelfsprekend en moet worden geborgd. De vier verschijningsvormen van vrijheid die in dit essay zijn belicht geven aangrijpingspunten om de viering van de vrijheid steeds te thematiseren. Burgerschap moet worden gevierd in het bewustzijn dat daarvoor condities en beperkingen gelden. Vrijheid is ook steeds vrijheid van handelen en de mogelijkheid om af te wijken. Een open economie is daarvan een uitdrukking en een voorwaarde. Politiek moet de democratische rechtsstaat worden gevierd. Die beschermt de burger en zijn verbanden en bindt de staat aan wet en recht. In het licht van deze verschijningsvormen kan dan steeds opnieuw de vraag worden gesteld, wat de universele waarde die vrijheid is, wat het eigenlijk betekent voor het individuele handelen.

Vrijheid moet vanzelfsprekend zijn. De verdienste van de vrijheid kan nooit het probleem zijn. Maar precies daarom is het nadenken over borging noodzakelijk. Dat markeren we op 5 mei, nadat we op 4 mei oorlogsslachtoffers en onvrijheid herdenken die oorlog en bezetting ons hebben gebracht en die elders bestaat en hier weer terugkeren kan. Opdat we ons vredig en in vrijheid tot elkaar kunnen verhouden. Met grote verschillen, maar ook met de wederkerige ruimte om die te ontplooien. Als we vrijheid willen vieren, zullen we hem moeten borgen.

Lees het volledige essay hier: http://www.nsob.nl/wp-content/uploads/NSOB_Leven-in-niet-vanzelfsprekende-vrijheid_web_DEF.pdf

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site is inclusief cookies. Voor meer informatie zie het privacybeleid. De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring te geven. U wordt niet gevolgd. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" dan gaat u akkoord met deze instellingen. Meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten